Curaçao
van nutteloos eiland tot spil in de handel van de West
Isla Inútil, nutteloos eiland
Curaçao ligt in het zuiden van de Caribische Zee, vlak boven Venezuela. Het eiland is zestig kilometer lang, smal en droog, en iets kleiner dan een derde van de provincie Utrecht.
Het landschap is ruw en zanderig, met lage struiken, cactussen en de kenmerkende divi-divi bomen die door de harde passaatwind allemaal dezelfde kant op buigen.
Regen is schaars en valt meestal in korte, felle buien. Drinkwater was altijd schaars en van levensbelang.
De noordoostkust is onherbergzaam, maar aan de zuidkant liggen beschutte baaien.
Eén daarvan, de Sint Annabaai, verbonden met het Schottegat, zou het eiland zijn grootste troef geven: een natuurlijke haven die uitnodigde tot handel.
De eerste Europeaan die Curaçao bezocht, was de Spanjaard Alonso de Ojeda, in 1499. De Spanjaarden vestigden zich in 1527, maar raakten snel teleurgesteld. De grond was dor, landbouw onmogelijk, zoutwinning beperkt. Er viel kortom weinig te verdienen. Ze brachten wat vee mee - geiten, runderen en varkens - en hielden het verder voor gezien. Curaçao kreeg het stempel "isla inútil", nutteloos eiland. Er kwamen nauwelijks nederzettingen en het eiland bleef slapend achter.
West-Indische Compagnie en de slavernij
In 1634 veroverde de West-Indische Compagnie (WIC) het eiland. De Compagnie, die handelde in suiker, tabak en mensen, had een uitvalsbasis nodig voor handel en kaapvaart tegen de Spanjaarden.
Curaçao lag perfect: dicht bij de Zuid-Amerikaanse kust, met een veilige haven.
De Spaanse bezetting gaf zich snel over. Een beperkt aantal inheemse gezinnen mocht blijven; de rest werd naar Venezuela gebracht.
De Nederlanders begonnen meteen met forten. Eerst een klein fort bij de waterbron, later Fort Amsterdam bij de haven.
Toch twijfelden de Heren XIX in Amsterdam aanvankelijk over het nut van het eiland. De bezetting kostte veel, de opbrengst was mager.
Pas toen men ontdekte dat Curaçao ideaal lag voor handel en slaventransport, kantelde het beeld. Het 'nutteloze eiland' werd plots van grote waarde.
Vanaf 1636 leverde de WIC buitgemaakte Afrikanen aan op Curaçao. In 1637 veroverde de Compagnie het fort Elmina aan de West-Afrikaanse kust, dat uitgroeide tot vertrekpunt van de slavenhandel. Van daaruit werden duizenden mensen als slaaf verscheept naar Curaçao, van wie velen doorgestuurd werden naar de Spaanse koloniën. Zo werd het eiland de draaischijf van de handel in mensen. Tussen 1621 en 1730 vervoerde de WIC naar schatting 273.000 tot slaaf gemaakte mensen, meer dan 100.000 via Curaçao. Aan de noordoostkant van het Schottegat, op de locatie van de voormalige Isla-raffinaderij, lag ooit het grote slavendepot van de WIC - een plek die getuigt van menselijk leed en economische macht. Daar kregen mensen die de overtocht hadden overleefd een paar weken rust voor ze opnieuw werden verkocht. De handel in mensen leverde miljoenenwinsten op. Curaçao werd het zenuwcentrum van de West-Indische Compagnie (WIC).
Naast slaven kwamen ook Sefardische Joden naar het eiland - gevlucht uit Brazilië, waar ze niet welkom waren onder de katholieke Portugezen.
Ze vestigden zich aan de noordkant van het Schottegat, in wat later het Jodenkwartier werd.
Dankzij hun internationale contacten speelden zij een belangrijke rol in de handel en smokkel.
Zo groeide Curaçao uit tot een knooppunt van handel, met evenveel smokkel als officiële handel.
De WIC moedigde ook Europese kolonisten aan om landbouw te bedrijven.
Ze kregen grond en vee, op voorwaarde dat ze gewassen verbouwden voor zichzelf en hun arbeiders, en het overschot aan de Compagnie verkochten.
In theorie moesten ze bijdragen aan de voedselvoorziening van het eiland; in de praktijk draaide het vooral om overleven.
De grond was arm en de regen onvoorspelbaar, maar toch groeide het aantal plantages.
Er werd kleine maïs of kafferkoren verbouwd - het hoofdvoedsel van de tot slaaf gemaakte mensen - en vee gehouden.
Er waren twee soorten tot slaaf gemaakten: 'negotieslaven', bedoeld voor doorverkoop, en huisslaven of veldslaven, die op Curaçao zelf moesten werken.
Rond 1700 werkten er op het eiland zo'n 600 à 700 mensen op plantages, 1.800 als ambachtslieden of bedienden.
De WIC zelf bezat er ruim 700. De arbeid was zwaar, eentonig en seizoensgebonden.
Tijdens het regenseizoen werd gezaaid en gewied, daarna geoogst.
Onder leiding van bomba's, opzichters die zelf ook tot slaaf gemaakt waren, werkte iedereen - mannen en vrouwen - in de hitte.
Het leven was hard, het perspectief nihil.
Ondertussen groeide bij Fort Amsterdam een nieuwe nederzetting: Punda.
De handel bracht schepen, pakhuizen, winkels en huizen in keurige rijen.
Punda werd al snel het kloppend hart van het eiland.
Rond 1680 werd de haven versterkt met muren en bastions.
Een zware ketting over de Sint Annabaai hield vijandelijke schepen tegen.
De combinatie van Fort Amsterdam en Punda maakte Curaçao vrijwel onneembaar.
De naam Willemstad verscheen rond 1675, waarschijnlijk ter ere van stadhouder Willem III.
In dat jaar werd het eiland uitgeroepen tot vrije haven om de handel verder te bevorderen.
De stad werd een smeltkroes van talen, culturen en belangen. Handelaren, soldaten, slaven, vrijgelatenen, Joden en Nederlanders leefden dicht op elkaar, gedreven door winst en noodzaak.
Zo veranderde Curaçao van een zogenaamd "nutteloos eiland" in een van de belangrijkste handelscentra van het Caribisch gebied - een eiland met een rijke, maar ook beladen geschiedenis.
Na-oorloogse ontwikkeling
Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond Curaçao opnieuw in het middelpunt van de wereldgeschiedenis.
Dit keer niet vanwege slavenhandel of kaapvaart, maar vanwege olie.
De Isla-raffinaderij in Willemstad verwerkte ruwe olie uit Venezuela tot brandstof voor vliegtuigen, schepen en tanks - brandstof die cruciaal bleek voor het functioneren van het geallieerde leger.
Omdat het eiland zo strategisch belangrijk was, kwamen de Amerikanen helpen met de verdediging. Ze bouwden militaire bases, luchtafweerinstallaties en patrouilleerden met schepen rond de kust.
Duitse onderzeeboten lagen op de loer en torpedeerden regelmatig olietankers, maar Curaçao zelf werd nooit frontgebied.
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Curaçao langzaam van economisch centrum in toeristische bestemming. De olieraffinaderijen raakten economisch minder belangrijk, waardoor het eiland nieuwe inkomstenbronnen moest zoeken. Toerisme bood uitkomst. Om bezoekers aan te trekken, werd geïnvesteerd in de infrastructuur. Het vliegveld Hato, geopend in 1942, speelde een sleutelrol: het maakte Curaçao bereikbaar voor reizigers van overzee en zorgde voor toegankelijkheid voor een breder publiek.
De opkomst van toerisme op buureiland Aruba zorgde voor concurrentie. Curaçao moest zich onderscheiden en richtte zich op zijn eigen identiteit: de kleurrijke architectuur van Willemstad, de rijke geschiedenis, de Caribische cultuur en de natuurlijke schoonheid van het eiland. Vanaf de jaren zestig en zeventig nam het toerisme echt een vlucht. Massatoerisme uit Noord-Amerika en Europa bracht een constante stroom bezoekers, nieuwsgierig naar zon, zee en de tropische sfeer van het eiland. Zo transformeerde Curaçao van een eiland dat leefde van olie naar een bestemming die charme, cultuur en zon in één bood - een nieuwe fase in zijn lange en veelzijdige geschiedenis.
Na het Statuut van 1954 kreeg Curaçao relatief veel bestuurlijke invloed binnen de Nederlandse Antillen, wat in theorie decennialang had moeten bijdragen aan het vermogen tot zelfbestuur. Buureiland Aruba voelde zich echter vaak achtergesteld en vroeg om meer autonomie, die in 1986 werd toegekend als een 'Status Aparte'. Sinds 10 oktober 2010 (10-10-10) is Curaçao samen met Sint Maarten een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Toch laat de praktijk zien dat de bestuurlijke ervaring van het eiland, hoewel jarenlang opgebouwd, niet altijd volledig werd benut, terwijl de vraag naar gelijkwaardigheid en echte autonomie nog steeds relevant is.