Slavernijverleden
Een duidelijke zwarte bladzijde in onze gezamelijke geschiedenis
Hoe de Nederlanders in de slavernijhandel terechtkwamen.
In het begin van de 17e eeuw voeren Nederlandse zeevaarders de wereld rond om handelsroutes te ontdekken.
Ze wilden kostbare goederen zoals specerijen, goud, zilver, suiker en koffie kopen en verkopen.
Het verhandelen van mensen uit Afrika stond toen nog helemaal niet centraal.
Al eeuwen vóór de komst van Europeanen bestond in Afrika een handel in slaven.
Mensen werden gevangen tijdens stammenoorlogen, maar ook als straf voor misdaden of wegens schulden.
Vervolgens werden ze verkocht aan andere Afrikaanse regio’s of aan Arabische landen, zoals Egypte, Saoedi-Arabië en Oman, waar ze werden gebruikt als arbeiders, soldaten of handelswaar.
Toen Nederlandse handelaren de westkust van Afrika bereikten, maakten ze gebruik van de bestaande handelsnetwerken. Voor de tot slaaf gemaakte mensen betekende dit gevangenschap, verlies van familie en een gedwongen, gevaarlijke overtocht over de oceaan. Mensen werden vaak opgesloten in overvolle schepen, met weinig voedsel en water, nauwelijks bewegingsvrijheid en regelmatig mishandeld. Veel tot slaaf gemaakten overleefden de overtocht niet. Het systeem was vooral gericht op winst, waardoor het leed van de tot slaaf gemaakten nauwelijks meetelde, maar de overtocht was altijd extreem zwaar.
Toen de Nederlanders hun kolonies in de Caraïben en Amerika begonnen te exploiteren — zoals Curaçao, Suriname en de Nederlandse Antillen — ontdekten ze dat er veel arbeidskrachten nodig waren voor de plantages. De lokale bevolking was vaak te klein in aantal of te kwetsbaar door ziektes, en Europese arbeiders waren duur of wilden niet op de plantages werken. Pas toen zagen de Nederlanders de mogelijkheid om slaven uit Afrika als arbeiders in te zetten. Afrikaanse handelaren hadden al mensen gevangen en waren bereid deze te ruilen voor wapens, textiel, alcohol of andere Europese producten. Zo groeide de handel in mensen uit tot een lucratieve, maar brute en wrede onderneming.
De steden Amsterdam, Middelburg en Rotterdam speelden hierbij een ondersteunende rol als logistieke en financiële centra. Hier werden schepen gebouwd en uitgerust, investeringen geregeld en reizen georganiseerd, waardoor de handel goed kon functioneren (Middelburg was het WIC-hoofdkwartier in Zeeland). Door deze betrokkenheid en de organisatie van de West-Indische Compagnie (WIC) groeide Nederland uit tot een belangrijke, efficiënt georganiseerde speler in de trans-Atlantische slavenhandel. Nederlandse schepen vervoerden duizenden slaven naar de Cariben, Suriname en Amerika, waar ze onder zware dwang moesten werken op plantages.
In vergelijking met andere Europese landen waren Portugal en Spanje eerder begonnen en vervoerden ze grote aantallen slaven. Frankrijk en Engeland groeiden later uit tot grotere spelers dan Nederland in absolute aantallen. Toch was Nederland, ondanks zijn relatief kleine omvang, een van de meest georganiseerde en efficiënte handelaren, wat het systeem alleen maar wreder maakte.
Nadat de trans-Atlantische slavenhandel in 1814 officieel werd verboden, bleef slavernij in de Nederlandse koloniën bestaan.
Plantagehouders hadden nog steeds behoefte aan arbeidskrachten voor hun plantages en ontwikkelden daarom strategieën om de slavengemeenschap intern te laten groeien. Vruchtbare vrouwen werden systematisch ingezet om kinderen te krijgen, die automatisch als slaaf werden geboren.
Deze praktijk, bekend als slavenfokkerij, zorgde ervoor dat nieuwe generaties de plaats konden innemen van degenen die waren overleden of verkocht.
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 moesten de voormalige slaven nog tien jaar verplicht doorwerken voor hun voormalige meesters.
Tijdens deze overgangsperiode ontvingen zij een mager loon, vaak in geld, voedsel of onderdak, dat volstrekt onvoldoende was om volledig zelfstandig van te leven.
Kortom: de Nederlanders begonnen met handel in goederen, maar zetten slavernij in zodra de koloniale economie behoefte had aan goedkope arbeidskrachten. Voor de tot slaaf gemaakte mensen betekende dit verlies van vrijheid, familie en leven, onder een systeem dat puur op winst was gebaseerd. Door samenwerking met bestaande Afrikaanse handelaren en het benutten van hun handelsinfrastructuur, werd Nederland een belangrijke, effieciënte, maar ook uitbuitende schakel in de trans-Atlantische slavenhandel.